Dit interdisciplinair langetermijnonderzoeksproject, gezamenlijk ontwikkeld door het M HKA en de KU Leuven, richt zich op een specifiek maar complex werk: één met veel facetten, dat variabel geïnstalleerd kan worden, onvoltooid is, en een open einde heeft: Ship of Fools / The Dockers’ Museum (2010-2013) van de kunstenaar en theoreticus Allan Sekula (1951-2013). Het project, gevoed door het onderzoek van de teamleden, blijft evolueren via onderzoeksresultaten die opeenvolgend getoond worden, onder meer op dit digitaal platform.

TEXTS

Maurice Theys - 2000 - Onder de straatstenen het strand (Enfin la lune en couleurs) [NL, interview],
, 2 p.




__________

Hans Theys


Onder de straatstenen het strand (Enfin la lune en couleurs)
Gesprek met Maurice Theys in het kader van de tentoonstelling Geschiedenis van de kunstenaarsbewegingen in Diets-Eurazië van 1880 tot 2080



- Mijnheer Theys, uw vader heeft zich destijds, voor de tentoonstelling in het jaar 2000, met de periode 1960-1980 beziggehouden. U hebt heel wat archief­materiaal over die periode verzameld…

Maurice Theys: Ja, neen, eigenlijk niet, dat is niet verzameld, dat is hier gewoon blijven liggen. Ik woon hier alleen maar in het duivenkot, zoals ge ziet, en in de rest van het huis kom ik niet meer. Good riddance, gelijk ze in Engeland vroeger zegden. Opgekuist staat kuis. Properteit voor alles. Ik peins dat ge mij iets wilt vragen, maar ik zie niet goed wat. Misschien moet ge iets luider spreken.

- Waarover ging die tentoonstelling rond de eeuwwisseling eigenlijk?

M.T. Ach, dat waren nog de oude tijden, dat kunnen de mensen zich niet meer voorstellen, het was nog voor de grote emigratie, de Europeanen hadden nog geen last van… Kijk, de meeste mensen keken elke avond nog naar zo’n kijkdoos, hoe heette het, die je thuis zelf kon bedienen. Allerlei soorten informatie en beelden kwam er naar binnen. Gratis. Veel rommel, maar soms ook een vrije gedachte of een mooi beeld. Ik geloof dat ze zo’n kijkbakken in het oude museum geplaatst hadden, vandaag het museum van de computer, waar ze toen nog van die grote kijkvoor­werpen ophingen, waaraan een grote waarde werd gehecht.
Mijn vader werkte samen met de kunstenaar Guy Rombouts. Onderin dat museum was een schuilkelder, om de kunstvoorwerpen te beschermen tijdens een oorlog, en in die kelder hadden ze een treinwagon zand laten kappen, geloof ik. Omdat er onder de stenen zand zit, zegden ze, zoals tijdens de straatrevoltes in Parijs aan het eind van de 19de eeuw, de Parijse Mei-commune. ‘Onder de kinderkoppen het strand,’ zegden ze toen, en tegelijk vond mijn vader dat dat zand op een maanlandschap leek.
‘Enfin la lune en couleurs’, schreef hij erbij, verwijzend naar Broodthaers. Ik heb het zelf niet gezien, want ik was nog niet geboren. Enfin, ik ben een week na de vernissage geboren, zodat ik te jong was om er iets van te zien. Mijn moeder had prachtige bruine ogen en een zachte, hese stem. Ze had een huid van satijn. Kent u dat, satijn? Dat is geen stof, dat is een weefpatroon. Bon, enkele jaren later is mijn vader dakwerker geworden en heeft hij al die documenten in enkele kisten gestopt. Er zitten ongelooflijk veel onbegrij­pelijke notities bij. Je wordt er snel moedeloos van. Het was allemaal nogal pietluttig, eigenlijk. Onverstaanbaar.

- Als u wil kunnen we u helpen met…

M.T. Neem alles maar mee, dan heb ik meer plaats voor mijn duiven. Ziet u deze blauweregen? Die moet toen ongeveer geplant zijn. Hij is nog afkomstig uit de tuin van Guy Rombouts. Nu verspert hij hier bijna alle ramen. Mijn duiven kunnen bijna niet meer naar buiten. (Hoest.) Geef mij die inspirator eens aan… ‘Jammer dat de maan niet in kleur was,’ had Broodthaers geschreven. Want op 21 juli 1969 hadden ze in het Gouden Huis zo’n kijkdoos geïnstalleerd om naar de eerste maanlanding te kijken. De jonge Rombouts was daarbij. En hij herinnerde zich dat ze teleurgesteld waren geweest omdat de uitzending in het zwart-wit was. En diezelfde avond schreef Broodthaers in een open brief dat hij het spijtig vond dat de maan niet in kleur was.
          Dus vulden ze die kelder met zandhopen en gebruikten ze vloeistofdia’s om daar bewegende psychedelische kleuren over te projecteren, zodat de maan toch in kleur was. En tegen de muur plaatsten ze verschillende draagbare radiotoestellen die van ’s ochtends tot ’s avonds de programma’s van een vrije radio uitzonden. Hoe heette het? ‘Centrale radio,’ denk ik. Of ‘Centrumradio’. Zoiets.
Boven in het museum was er ook vanalles te zien. Oude kijkprenten met de hand gemaakt, prachtig getoond met installaties die aan de oudere tijdperken deden denken of er een hommage aan waren. Maar mijn vader was naar het schijnt toen al bezig met bomen. Ze hadden rond dat museum pas bomen omgezaagd, of zoiets (dat was nog voor de algemene anti-rooiwet), en hij wilde dat museum binnenste­buiten keren zodat je binnen vrijuit door de lucht zweefde en zelfs eigen gevoelens kon beleven of eigen gedachten formuleren. Dat valt niet zo gemakkelijk meer te begrijpen, vandaag, die naïviteit.

- Misschien zoudt u…

M.T. Kijk jongeman, toen ik geboren ben heeft mijn vader een heilswens over mij uitgesproken, dat het altijd schoon weer mocht zijn als ik mijn was buiten hing, en ook dat ik mij nooit zou moeten bezighouden met wat ze in die dagen ‘kunst’ noemden. Ik begrijp uw archeologische bekommernissen, maar ik word er moe van. Weet gij iets van duiven? Neen, ik zie het al… Neemt die kisten mee, jongeman, maar ziet dat ge er niet in verzuipt. Het is al dwaas en achterlijk wat erin steekt, maar als gij daar uw plezier aan hebt… Zoudt ge op uw terugweg, beneden, ook de vuilbak willen buitenzetten? Daarmee is dat ook gedaan. Properteit voor alles, bedoel ik, dat is des mensen eerste wens.


Montagne de Miel, 2 juli 2000