Dit interdisciplinair langetermijnonderzoeksproject, gezamenlijk ontwikkeld door het M HKA en de KU Leuven, richt zich op een specifiek maar complex werk: één met veel facetten, dat variabel geïnstalleerd kan worden, onvoltooid is, en een open einde heeft: Ship of Fools / The Dockers’ Museum (2010-2013) van de kunstenaar en theoreticus Allan Sekula (1951-2013). Het project, gevoed door het onderzoek van de teamleden, blijft evolueren via onderzoeksresultaten die opeenvolgend getoond worden, onder meer op dit digitaal platform.

Ship of Fools

M hka installation view with docker

Ship of Fools is een voortzetting van het onderzoek van Allan Sekula naar de zee als een vergeten ruimte, die steeds wisselende productiesites verbindt met markten en consumenten over de hele wereld. Het werk focust op de reis van de Global Mariner, een schip dat tussen 1998 en 2000 de wereld afvoer, met aan boord een tentoonstelling die de arbeidsomstandigheden in de scheepsindustrie aan de kaak stelde. Sekula documenteerde deze reis door middel van die haarfijn de effecten van de globalisering registreren. Met deze werken weerlegt de kunstenaar de neoliberale mythe dat goederen en kapitaal pijnloos en probleemloos doorstromen in de wereldhandel.


 

[…] 4. Magellan in Reverse

 

‘The Global Mariner’ begon ook aan wat slechts kan gezien worden als een ironisch contra-enactment van een ouder project, dat teruggaat op de oorsprong zélf van de moderne imperiale heerschappij, namelijk Magellaans eerste wereldomvaart. Dit was een omgekeerde Magellaan. De rituele betekenis van de wereldomvaart kan niet genoeg worden benadrukt. De re-enactments van deze baanbrekende reizen vonden voor het eerst plaats op het hoogtepunt van het imperialisme en dienden als theatrale bevestiging van het opkomen van een zeemacht op het wereldtoneel. Dit was bijvoorbeeld het geval met de wereldomvaart van Admiral Deweys ‘White Fleet’ na de beslissende Amerikaanse overwinning op Spanje in de Baai van Manilla in 1898. Hier zette de grootse, globale marineparade de geostrategische ambitie van marinetheoreticus Alfred Thayer Mahan kracht bij – ‘showing the flag’, in marinejargon. In de latere 20ste eeuw blaast de solowereldzeiler – op een rituele manier – nieuw leven in de individualistische fundamenten van de kapitalistische geest van avontuur, terwijl hij de industriële en sociale dimensie van het wereldomspannende project tegelijkertijd verdoezelt – via het drama van eenzaam streven en extreme zelfvoorziening. De fascinatie voor zulke reizen, zoals ze tot uiting komt in het werk van Bas Jan Ader (tragisch, gedoemd te mislukken) of recenter, in een aantal intrigerende projecten van Tacita Dean, stemt helemaal overeen met een terugkeer naar een slechts schijnbaar uitgeputte romantiek, en een poging om de historische band tussen avontuur en plundering en verovering door te snijden. Dat de romantiek slechts probeert te overleven via oceanische onderdompeling, hypereenzaamheid, en de extreem buiten-territoriale Middenpassage, is een teken van de wanhoop die ze ervaart tijden de operatie om haar te redden van veralgemeende culturele degradatie. Vandaag moet deze postmoderne, quasi-romantische ‘terugkeer’ naar de zee begrepen worden als fundamenteel verschillend van zijn byroniaanse voorganger, omdat hij zich tevreden stelt met een zee waarvan de natuurlijke rijkdommen worden leeggeroofd en die tegelijk (met de opwarming van de aarde) op een nieuwe manier een sublieme dreiging vormt. Een zee die doodt en wordt gedood, een zee die – in de ontwikkelde wereld – ook alom figureert in hyperrealistische representaties, van aquatische themaparken tot de met zeeleven gevulde aquaria die een vast onderdeel zijn geworden van elk recreatiecomplex langs stedelijke waterkant. Met zijn ploeterende, alledaagse aanpak onderstreepte ‘The Global Mariner’ integendeel dat hij terug wilde keren naar maatschappelijke vragen. Steichen, die sprak met de voorzichtigheid van een liberaal uit de Koude Oorlog, had beweerd dat ‘The Family of Man’ over ‘menselijk bewustzijn’ ging en niet ‘over sociaal bewustzijn.’ De grote kracht van het experiment met ‘The Global Mariner’ lag erin de maatschappelijke vraag precies op te werpen vanuit de ruimte die, zo stelt men zich voor, buiten de maatschappij ligt. Niets bijzonders: een schip net als zoveel andere, zo normaal dat een inwoner van Seattle, toen hij het schip zag dat ceremonieel werd verwelkomd door de blusboten van die sterke vakbondsstad, zich afvroeg waar men zich precies druk om maakte. Het ging met andere woorden om het soort welkom dat je zou verwachten voor een vliegdekschip of de Queen Elizabeth 2, maar niet voor een oude tweedekker die vermoedelijk koffie vervoerde of pulppapier, of een andere in bulk vervoerde anonieme grondstof. Het is des te diepzinniger dat dit schip een poging was om de werking van het imperium te vertegenwoordigen op een moment dat de wereldeconomie verondersteld wordt volledig virtueel verbonden te zijn, op een magische wijze onafhankelijk van het langzame maritieme verkeer van zware ladingen. De arrogante zelfgenoegzaamheid van de cybereconomie, of beter, van het idee zélf van een post-industrieel tijdperk, bestaat eruit dat we verloochenen dat we eigenlijk een zwak maar knagend besef hebben dat bijna alle energie – of ze nu wordt omgezet in elektriciteit dan wel uit directe verbranding komt – afkomstig van olie of andere hydrocarbonische fossiele brandstoffen, of uit splijtbaar uranium dat geraffineerd wordt uit uraniumerts: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die uit de aarde gewonnen worden en in bulk vervoerd. De traagheid van de reis van ‘The Global Mariner’, de twintig maanden die zijn wereldomvaart duurde, herinnert ons aan de duur van de vroegmoderne zeevaart met zeilboten, en ook aan de hardnekkige traagheid van hedendaagse zware vervoersstromen. [...]


Deze tekst is een herzien uittreksel uit Allan Sekula, TITANIC’s wake (Cherbourg, Le Point du Jour Éditeur, 2003). Voor het eerst gepubliceerd als onderdeel van de tekst: ‘Between the Net and the Deep Blue Sea: Rethinking the Traffic in Photographs’, October 102 (herfst 2002), p. 3-34). Vertaling door Steven Tallon.